Van scherm tot psyche: hoe we jongeren kunnen wapenen tegen de schaduwzijden van social media

Finn van Impelen

De negatieve effecten van social media op de mentale gezondheid worden steeds vaker besproken door onderzoekers en media. Social media hebben zeker op jongeren een grote invloed. Ondanks de bezwaren lijken social media voorlopig nergens heen te gaan. De Volkskrant combineert recent onderzoek met de kritische blik van een psycholoog en expert op het gebied van mediawijsheid om handvatten en frisse perspectieven te bieden voor een gezonde relatie met social media.

Er zijn momenteel veel vragen over (social)mediagebruik: hoe ziet de toekomst van social media eruit? Moeten we, in plaats van enkel te benoemen wat de negatieve effecten zijn, ons niet bezighouden met hoe we jongeren kunnen helpen te navigeren door de digitale wildernis? Wie zijn verantwoordelijk voor gezond (social)mediagebruik?

Je geeft je dochter een cadeau voor haar verjaardag: een smartphone. Ze vraagt er al zo lang om en de andere kinderen uit de klas hebben er ook al eentje. Zou je dat cadeau ook geven als je weet dat het haar kansen op stress, concentratieproblemen, een depressie of een angst- en/of eetstoornis zou vergroten?

Waarschijnlijk niet. Toch geven ouders volgens de Consumentenbond hun kinderen vanaf een jaar of negen een smartphone. Volgens hen hebben vrijwel alle kinderen een smartphone als ze naar de middelbare school gaan.

The Spectator noemt social media schadelijker voor jongeren dan roken’

De effecten

Dat de mentale gezondheid van jongeren sinds het digitale tijdperk achteruitgaat, is een feit. Sapien Labs bracht vorig jaar een rapport uit waaruit blijkt dat hoe jonger je toegang krijgt tot social media, hoe slechter je mentale gezondheid is op latere leeftijd. Dat komt doordat jongeren zich op social media vergelijken met anderen en constant worden blootgesteld aan communicatie, informatie en afleiding. Jongeren zijn hier, aangezien ze nog fors in ontwikkeling zijn, gevoeliger voor dan volwassenen.

Social media hebben daarentegen ook veel goede kanten. Gebruikers weten wat er in het leven van dierbaren speelt, kunnen in contact blijven met mensen die ze weinig kunnen zien, hebben een creatieve uitlaatklep, kunnen van een afstand worden geholpen door moeilijke tijden of het dient als een gemeenschap waarin ze zich geaccepteerd voelen.

Toch worden de negatieve kanten momenteel veel onderzocht en besproken. Er blijft alleen onduidelijkheid over wie verantwoordelijk zijn voor het begeleiden van de jongeren door het digitale tijdperk. 

Demografische verschillen

De negatieve effecten van social media zijn uiteenlopend en niet alle gebruikers ervaren deze effecten op dezelfde manier. Er zijn specifieke demografische verschillen, waarin sommige groepen vatbaarder lijken voor de effecten dan anderen.

Diverse onderzoeken, zoals recentelijk nog een Amerikaans onderzoek, tonen aan dat meisjes vaak hogere niveaus van stress en angst ervaren door social media dan jongens. Meisjes voelen zich vaak meer betrokken bij de verschillende platforms en zijn gevoeliger voor sociale vergelijkingen en cyberpesten. Bijna alle negatieve effecten zijn prominenter bij meisjes.

Iemands opleidingsniveau, of socio-economische status in het algemeen, kan ook een rol spelen. Dit komt omdat theoretisch opgeleide mensen kritischer leren denken dan praktisch opgeleide mensen, maar platforms beïnvloeden mensen nu zodanig onbewust en vanaf een jonge leeftijd dat dit nog weinig uit lijkt te maken. 

Ongelukkige jongeren

Platforms als Hyves en Facebook werden opgericht in 2004 om sociale interactie en entertainment te bieden aan gebruikers. De eerste zorgen over de impact van deze platforms op de mentale gezondheid lieten niet lang op zich wachten. Psychologen en sociale wetenschappers merkten op dat, ondanks de voordelen die de platforms boden, er onvoorziene negatieve effecten opdoken bij gebruikers, zoals jaloezie en sociale isolatie.

De University of Michigan deed in 2013 een van de eerste grootschalige studies die een direct verband legde tussen frequent Facebook-gebruik en een lagere levensvoldoening. De media-aandacht versterkte de noodzaak voor verder onderzoek naar het verband tussen social media en mentale gezondheid.

Halverwege de jaren 2010 werd duidelijk dat de opkomst van nieuwe platforms als Instagram en Snapchat nieuwe uitdagingen met zich meebracht, zoals de druk van het constant delen van ‘perfecte’ momenten. Tegen 2018 waren er veel nieuwe studies die een verband legden tussen intensief gebruik van deze nieuwe platforms en verhoogde niveaus van mentale gezondheidsproblemen, vooral onder jongeren.

In Nederland doen Mediahuis, Wayne Parker Kent en MediaTest jaarlijks het Grote Jongerenonderzoek. 62% van hun respondenten (15-35 jaar) geven aan verslaafd te zijn aan social media. Bij de jongste groep (15-21 jaar) ligt dit aantal nog hoger.

Uit het onderzoek blijkt ook dat 30% aangeeft zich onzeker, verdrietig of depressief te voelen na het gebruiken van social media. Jongeren beoordelen hun gezondheid dit jaar met een 6,9. Dit cijfer daalt jaarlijks erg hard. In 2020 was het nog een 7,6.

Actie nodig

Social media ontwikkelen zich in rap tempo. De toekomst van mediagebruik voorspellen is daarom lastig. Toen de eerste platforms werden geïntroduceerd in 2004 werden ze gezien als interessante, nieuwe communicatiemiddelen. Anno 2024 staan social media in de rechtbank. De publieke opinie verandert, maar we kunnen al niet meer ontsnappen aan social media in ons leven. De ontwikkelingen en de effecten daarvan gaan sneller dan de publieke opinie. Het is dus tijd voor actie, maar wie gaat die actie ondernemen?

Newcom voert Nederlands grootste Nationale Social Media onderzoek uit. Daaruit blijkt dat in 2023 de gemiddelde tijd dat we per dag op social media zitten met 10 minuten is gegroeid. Dit aantal groeit elk jaar meer.

Bron: Newcom

Digitale advertenties en influencer marketing blijven ook groeien. Instagram, LinkedIn en Pinterest blijven ook groter worden. TikTok groeit het meest, waar Facebook meer gebruikers verliest.

Een aantal voorspellingen over de toekomst van mediagebruik op basis van het onderzoek:

  • Een toename in de diversificatie van socialmediaplatforms, waarbij elk platform zich specialiseert in bepaalde vormen van interactie of content 
  • Een toename in gebruik van kunstmatige intelligentie voor personalisatie en efficiëntere interacties, wat zorgen van privacy en ethische aspecten met zich meebrengt
  • Video’s en livestreams worden populairder

Onbewuste beïnvloeding

De invloed van media op jongeren is subtiel en vaak onzichtbaar, met name omdat deze generatie opgroeit in een digitale wereld waarin media constant om hen heen is, wat hun percepties, overtuigingen en gedrag onbewust vormt.

Hoe jonger je gewend raakt aan de constante media-interactie, hoe minder je bewust bent van de invloed ervan. Het wordt moeilijker om onderscheid te maken tussen eigen overtuigingen en door media ingegeven ideeën. Platforms als Instagram en TikTok promoten vaak een geïdealiseerde, gefilterde versie van de realiteit, wat kan leiden tot onrealistische verwachtingen en percepties van eigen succes en uiterlijk. De algoritmen van Instagram werden onderzocht door de Franse journalist Nicolas Kayser-Bril. Hij kwam erachter dat foto’s van ‘mooie’ of halfnaakte mensen vaker worden getoond dan foto’s van bijvoorbeeld eten of landschappen.

Daarbij ontwikkelen platforms als Instagram en TikTok algoritmen die gebruikers verslaafd maken. Deze ‘persuasieve’ technieken zijn herhaling, bandwagon (meelopen met de massa) en het tonen van populaire rolmodellen. Deze methoden beïnvloeden niet alleen de keuzes van jongeren op het gebied van consumptie, maar ook hun sociale en politieke ideeën.

Jongeren moeten leren om kritisch te denken over de informatie die ze via social media ontvangen. Hier is onderwijs voor nodig.

De rol van het onderwijs

Mediawijsheid betekent kennis, vaardigheden en attitudes gebruiken om bewust en kritisch te kunnen bewegen in een complexe en veranderde wereld vol media. Idealiter worden kinderen vanaf jonge leeftijd mediawijs om er op een gezonde, positieve en verantwoordelijke manier mee om te leren gaan, maar wie maakt kinderen mediawijs?

Ontwikkelingspsycholoog en gezinstherapeut Steven Pont (58) heeft kritische vragen voor het onderwijs over hoe ze beter kunnen inspelen op de uitdagingen van digitale media en technologie. Er moet worden nagedacht over de balans tussen het benutten van de positieve kanten van social media en het beperken van de negatieve effecten. Pont vindt dat het onderwijs jongeren moet voorbereiden op een wereld waarin social media een belangrijke rol spelen: ‘We moeten het niet proberen te bestrijden, want het gaat niet meer weg’, vertelt Pont.

Pont benadrukt dat het onderwijs momenteel een te traditionele focus heeft. Ze zitten, volgens hem, vastgeroest. ‘Als je kijkt naar de huidige maatschappelijke uitdagingen, dan zijn vakken als Frans minder relevant. Tenzij je er echt iets mee gaat doen, heb je er nu niet zo veel meer aan.’

Pont pleit voor een verschuiving naar meer praktijkgerichte levenslessen die jongeren niet alleen voorbereiden op academische successen maar ook op de uitdagingen van het leven, inclusief de omgang met social media. De huidige onderwijsplannen moeten, volgens Pont, worden aangepast om relevanter te zijn voor de levens en toekomst van jongeren.

Hij benadrukt het belang van lessen in persoonlijk management en andere levensvaardigheden: ‘Zo’n aanpak zou jongeren voorbereiden op hun leven. Zulke lessen kunnen ook praktische kennis over zaken als contracten en de juridische aspecten van het dagelijks leven bijbrengen. Jongeren gaan straks de echte wereld in en weten hoe ze een ‘baguette’ moeten bestellen als ze op vakantie zijn in Frankrijk. Je kunt je afvragen of dat nu het meest klaarmaakt voor het leven. Zoiets was vroeger, toen je nog geen technologie had om je overal verstaanbaar te maken, veel belangrijker’, zegt Pont.

De verantwoordelijkheid van scholen strekt zich uit tot het voorbereiden van jongeren op een leven waarin technologie en social media een prominente plaats innemen. Hiervoor is een realistische benadering nodig van social media binnen het onderwijs, waarbij de focus ligt op het reguleren en bewust gebruiken ervan in plaats van het volledig te verbieden of negeren: ‘De toekomst van mediagebruik vereist een complexe balans tussen het begeleiden van jongeren in hun mediagebruik en het scheppen van bewustzijn over zowel de gevaren als de voordelen van technologie.’

Bron: Steven Pont

Het probleem aan de voorkant oplossen

Pont vertelt dat de impact van social media bij de huidige generaties al diep verweven is met het dagelijkse leven en zelfbeeld. Hij suggereert niet dat deze mensen niet te redden zijn, maar benadrukt de urgentie van een verschuiving in hoe we (nieuwe) jongeren voorbereiden op de uitdagingen van social media: ‘We moeten ons focussen op toekomstige generaties door onderwijssystemen te herzien.’

Er is een proactieve benadering nodig om verbetering te realiseren. Dit houdt in dat het belangrijk is om jongeren en hun omgeving bewust te maken van de potentiële risico’s van sociale media voordat deze negatieve effecten daadwerkelijk ervaren worden. De handvatten zijn, volgens Pont, dus educatie en bewustwording.

Pont ziet dat de huidige generaties eerst lijdensdruk ervaren voordat ze tot motivatie kunnen komen: ‘Iemand stopt bijvoorbeeld met social media omdat ze negatieve effecten op hun mentale gezondheid ervaren. Je lost het probleem dan aan de achterkant op. Je wilt in de toekomst het probleem aan de voorkant oplossen. Dat betekent niet dat je het probleem voor deze generaties niet kunt verhelpen, maar op een andere manier. Nu heb je eerst lijdensdruk, dan komt probleembesef, dan bewustwording en dan komt actie.’

Volgens Pont werkt het zo voor de hele maatschappij: ‘Je ziet dat het minder goed gaat met de mentale gezondheid van de jeugd. Dit probleembesef wordt bewustwording. We moeten dan uitzoeken wat de werkende krachten zijn die onze jeugd ongelukkiger maken. Dáár moeten we als maatschappij wat mee. Dat is niet alleen social media, maar het speelt wel een belangrijke rol. Zorg zit in ons takenpakket. Dat is de legitimatie van de overheid, de zorg verlenen zodat het zo goed mogelijk gaat met de inwoners’, zegt Pont.

De impact van social media minimaliseren gaat volgens Pont dus in drie stappen: probleembesef, bewustwording en dan handvatten aanreiken. Eerst moet gezorgd worden voor bewustwording onder jongeren en hun ouders. Deze bewustwording kan worden gerealiseerd door informatie te delen over hoe social media werkelijkheden kunnen vervormen en bijdragen aan onrealistische verwachtingen. Belangrijk is dus om bewustwording al vanaf de basisschool bij te brengen.

Daarna stimuleer je jongeren en hun ouders om de voordelen van een bewust en gebalanceerd gebruik van social media te overwegen, tegenover de nadelen van overmatig en onkritisch gebruik. Dit kan door erover te praten, er verdere lessen en inzichten over te geven en door het stellen van doelen voor gezond mediagebruik.

Tot slot worden strategieën voor gezond gebruik van social media gebruikt, zoals het instellen van tijdslimieten, het volgen van accounts die positieve content bieden en het ontwikkelen van kritisch denken over de content die je consumeert. Scholen en ouders kunnen hierbij blijven ondersteunen door tools en educatie te bieden.

‘Scholen hebben lang de verantwoordelijkheid bij de ouders gelegd’

– Justine Pardoen

Mediawijsheid

Mediawijsheid is momenteel nog geen verplicht vak in het onderwijs. Of het vak er is hangt vaak af van de docenten. Er zijn daarentegen wel experts op het gebied van mediaopvoeding, mediawijsheid en digitale geletterdheid die scholen en ouders helpen. Bureau Jeugd & Media gebruikt wetenschappelijke kennis om mediawijsheid bij te brengen. Ze organiseren ouderavonden, workshops voor docententeams, presentaties op congressen, nascholingen voor jeugdprofessionals in de zorg of in de kinderopvang en gastlessen in alle vormen van onderwijs. Bureau Jeugd & Media maakt zich daarbij ook hard voor het grote punt van Pont: ze houden sessies met directies over de invoering van ‘Digitale geletterdheid’ in het curriculum.

In de wet is nu vastgelegd dat digitale geletterdheid één van de vier basisvaardigheden is (naast taal, rekenen en burgerschap). Digitale geletterdheid is een combinatie van kennis en verschillende vaardigheden op het gebied van digitale technologie. Mediawijsheid is hier een domein van.

Justine Pardoen (65), oprichter en directeur van Bureau Jeugd & Media, hoopt dat mediawijsheid hierdoor meer prioriteit krijgt: ‘Sommige scholen hebben nog steeds geen idee dat het eraan zit te komen. Er komt eerst nog een pilot, dus voor het echt wordt ingevoerd en scholen weten wat ze moeten doen is het minimaal 2026’, zegt Pardoen. Bureau Jeugd & Media wacht hier al 10 jaar op.

Volgens Pardoen hebben scholen lang de verantwoordelijkheid bij de opvoeding thuis gelegd. Zij zagen hooguit programmeren en informatievaardigheden als iets wat op school thuishoort. Pardoen vindt dat er thuis ook veel moet gebeuren, maar bevestigt dat de verantwoordelijkheid ook bij het onderwijs ligt.

Bron: Bureau Jeugd & Media

‘Je kunt er niet vanuit gaan dat ouders over de juiste kennis beschikken op dit gebied. Je wilt dat kinderen ook een andere opvatting waarnemen dan wat bijvoorbeeld kinderen uit strenggelovige gezinnen te horen krijgen. Ouders kunnen normen en waarden doorgeven, maar kennis is iets anders. De opvatting van de maatschappij kan verschillen met die van de ouders.’

In een curriculum worden onderwerpen structureel doorgenomen. Op school zouden er geen gaten mogen vallen bij onderwerpen, bijvoorbeeld als een docent een onderwerp niet aandurft, maar in een gezin kan dat makkelijker gebeuren.

Meetbare resultaten

Scholen werken met kerndoelen. Kinderen moeten een bepaald niveau halen. De eisen met wat ze moeten kennen en kunnen (dus de kerndoelen) staan vast. Kerndoelen worden vertaald, door methodemakers, naar meetbare doelen. Je moet dat niveau kunnen toetsen. ‘Levenslessen’ zijn lastig te meten.

Pardoen vindt dat kinderen moeten leren reflecteren op hun eigen handelen: ‘Conclusies trekken, naar anderen luisteren, verschillen erkennen en waarderen, dat zijn ingewikkelde dingen voor scholen, omdat ze geen meetbare resultaten en doelen hebben.’

Er is tegenwoordig meer spanning dan vroeger tussen ouders en scholen over de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is. Volgens Pardoen leggen ze problemen daardoor vaak op elkaars bord: ‘Als een schoolbestuur een beetje lef heeft, voegt het een essentieel element als mediawijsheid standaard toe, maar om een excellente school (erkenning voor buitengewone kwaliteit) te worden hebben ze meetbare resultaten nodig. Scholen trekken dan liever nieuwe leerlingen door excellente resultaten te behalen en zichzelf daarmee te onderscheiden. Dat gaat helaas niet over wat goed is voor de leerlingen.’

De rol van de ouders

Pardoen geeft aan dat ouders wel vragen hebben en ondersteuning willen, maar dat scholen aangeven, dat als zij ouderavonden organiseren, vaak nog geen derde van de ouders komt. ‘Met het onderwerp mediawijsheid is de urgentie er niet als je er niet over nadenkt, behalve als er dingen misgaan. Men ziet dat nog niet als iets waar je dagelijks mee bezig bent in de opvoeding’, zegt Pardoen. Dit bevestigt dat er eerst lijdensdruk moet zijn voor er actie wordt ondernomen.

Een feit blijft de dalende gezondheidscijfers onder jongeren. De meningen zijn verdeeld over of de schuld daarvan enkel gelegd kan worden bij social media. Andere factoren als prestatiedruk in het onderwijs of slechte gezinssituaties kunnen ook meespelen.

Ouders worstelen ook met de voorbeeldfunctie die ze hebben, want ze gebruiken social media bijna altijd zelf ook. Het aantal gebruikers, en daarmee het voorbeeld voor kinderen, stijgt jaarlijks steeds meer.

Bron: Newcom

Voor kinderen is het moeilijk het verschil in de positieve en negatieve kanten te zien: ‘Dat moet kinderen aangereikt worden. Ze moeten leren om te bedenken wat het doet met hun gevoel, lichaam, ambities en zelfbeeld. De belangrijkste vraag voor hen is: wat betekent dat gevoel? Je kunt van kinderen, pubers en jongeren niet verwachten dat ze die zelfregulering zelf kunnen. Ze moeten leren daarover na te denken en daar keuzes over te maken’, vertelt Pardoen.

Pardoen vindt dat lijdensdruk hoort bij leren. In je adolescentie betekent de lijdensdruk niet dat je je gedrag kunt veranderen. Je hebt daar hulp en begeleiding bij nodig: ‘Als je 28 bent, ben je pas echt volwassen. Je kunt dan pas verwachten dat iemand zelf die keuzes kan maken en daar volledig verantwoordelijk voor is. We moeten dus eerst tijdens de kindertijd, dan de puberteit en dan tijdens de adolescentie jongeren begeleiden. Dat moet afhankelijk van de leeftijd telkens op een andere manier.’

Wat kunnen we dan, naast educatie, nog meer doen om jongeren te begeleiden? Experts als Pont en Pardoen vinden dat we gezamenlijk moeten in gaan zien dat we een gedeelde verantwoordelijkheid hebben bij het opvoeden van de nieuwe digitale generatie. Dat betekent: ouders, onderwijs, kinderen zelf én de platforms waar ze gebruik van maken.

De rol van de platforms

Bij Bureau Jeugd & Media vinden ze dat de telefoonmarkt meer keuzes zou moeten aanbieden voor ouders. Ouders kunnen apps van een telefoon afhouden, maar kinderen zijn slim genoeg om toch op social media te komen. Zij pleiten voor een smartphone die enkel toegang zou hebben tot positieve aspecten als bellen en WhatsApp, Google (maar dan alleen Google Kids Space), dingen die nodig zijn voor school, treinkaartjes en navigatie. Geen apps waarbij ze constant gevoelig worden gemaakt voor likes, kliks en algoritmen die ze ‘hooked’ houden.

De smartphone veroorzaakt niet de schadelijkheid, het zijn aspecten daarvan. Het zijn bepaalde apps die je volledig meezuigen en je gevangenhouden. In Nederland moet je volgens de privacywet AVG zestien zijn om een account aan te maken, dertien met toestemming van ouders, maar dit wordt niet gehandhaafd.

In Amerika hebben ouders, door de Children’s Online Privacy Protection Act (COPPA) wet, een wet die wordt gehandhaafd door de Federal Trade Commission (FTC), meer invloed over welke informatie over hun kinderen tot dertien jaar online verzameld kan worden. Je mag dus niet online handelen met kinderen onder de dertien. In Amerika kijken ze nu zelfs of ze de COPPA wet kunnen wijzigen naar zestien jaar. Dat zou betekenen dat je tot zestien jaar geen socialmediaprofiel kunt aanmaken.

In Nederland houden platforms zich hier niet streng aan, aangezien de wet niet wordt gehandhaafd. Iedereen kan makkelijk liegen door een vakje met een leeftijd in te vullen. ‘Bedrijven van dat soort platforms doen niets om na te gaan hoe oud die jongeren daadwerkelijk zijn. De overheid en de bedrijven achter die platforms kunnen een rol spelen door een manier te vinden om die leeftijden meer te handhaven’, zegt Pardoen.

Net als bij de ouders en het onderwijs lijkt het alsof iedereen naar elkaar wijst. ‘Platforms wijzen weer naar ouders, omdat zij vinden dat ze er niets aan kunnen doen dat kinderen liegen over hun leeftijd’, zegt Pardoen. De vicieuze cirkel blijft op die manier doorgaan.

Hoe nu verder?

In een ideale wereld erkennen we dat er, naast al het positieve, schadelijke gevolgen zijn voor kinderen, dat er een minimumleeftijd is waarop we kinderen hiermee zelfstandig hun gang kunnen laten gaan én dat we de verantwoordelijkheid moeten delen. Ouders spelen een belangrijke rol hierin door mee te kijken met wat hun kinderen doen. Ouders kunnen niet alles alleen. Die verantwoordelijkheid moet worden gedeeld door het onderwijs, de platforms zelf en de overheid die het reguleert.

We kunnen in de toekomst alle positieve aspecten van technologie en (social) media blijven benutten, alleen de handvatten daarvoor moeten we de jongeren zelf aanreiken.